FEIJENOORDSE MEESTERS

Markante bezoekers

Franz Krampf

Franz Krampf vond bij toeval in 'De Oud Rotterdammer’ het webadres van ‘Feijenoordse meesters’. De weergave van ‘ons’ verleden vond Franz fantastisch. Hij groeide namelijk op langs het rangeerterrein in het Oostenrijkse Braunau am Inn. Het kan daarom niet anders of Franz kwam met de belevenissen uit zijn vroeger jaren. Géén ‘Feijenoordse meesters’ weliswaar, maar desondanks toch erg leuk om te lezen. Spoorwegen zijn immers spoorwegen, en de dingen waarover we lezen zullen beslist bekend voorkomen. Later zou Franz naar Rotterdam verhuizen, waar hij altijd te vinden was op het emplacement bij de veiling (Rtng). ‘Daar lieten we dan losstaande wagons wegrollen door middel van een hefboompje achter een wiel, of pikten we lootjes van klaarstaande koelwagons. Eén keer wisten we een ‘Sik’ te starten en reden we daarmee heen en weer langs de heuvel op een zaterdag middag. We waren bengels bouwjaar 1950.'

Franz Krampf poseert in 1959 als jochie voor een Oostenrijkse Dampfloc in Braunau...

IK WAS 10 JAAR…

Op een dag in de zomer van 1961(?) was ik met mijn vader Sepp (Josef) onderweg van uit het Oostenrijkse Braunau am Inn naar de grote stad Salzburg. Er was een feestavond in het hotel Pitter, in de Pitter Keller, een toenmalig begrip voor volksmuziek en volks vermaak. Het zal ongetwijfeld op een zaterdag zijn geweest, want de trein reed een aangepaste dienstregeling, en dat betekende voor het stoomboemeltje overal lang wachten voor belangrijker treinbewegingen.

Bahnhof Salzburg-Nord... we stonden naar mijn gevoel daar al uren... Papa, waar is die grote hijskraan voor??? Er stond op een Abstellgleis (zijspoor) een grote, hele grote hijskraan met allemaal platte wagons er voor en er achter gekoppeld. Op die wagons lagen stapels spoorbielzen, olievaten en contragewichten. Op één ervan, over twee wagons heen, lag in een grote steunbalk het topje van de gestreken kraanarm van zeker 30 meter lengte. Mijn vader wist raad...!

Uiteindelijk woonden we toch op een steenworp afstand van het station in de grensplaats Braunau. Daar hoorde een groot rangeeremplacement bij en een spoorlijn naar het Duitse Simbach, aan de andere kant van de grensrivier de Inn. Op het emplacement reden dag en nacht grote en kleine stoomlocomotieven heen en weer om te rangeren. Daar werden personen en goederentreinen samengesteld en alles gereed gezet voor dienstregelingen Oostenrijk in en Oostenrijk uit, Duitsland in en Duitsland uit. De zus van mijn vader woonde in het voor mij onbereikbare, 100 meter verder gelegen, buitenland. Die tante, Márie, had een Trafik (kiosk) op het stationsplein in Simbach. Die tante gaf mij ook altijd lekkere snoepjes en dus moest Franzl zijn inventiviteit 'aufkurbeln' hoe daar te komen, en weer terug, zonder grensdocumenten.

Kwam tijd kwam raad...! Volgens de dienstregeling ging er 's morgens een trein van Braunau naar Simbach met een Duitse stoomloc, en 's middags een trein van Simbach naar Braunau met een Oostenrijkse stoomloc. Franzi kon al aardig rekenen en had uitgevogeld, dat als hij met de 10.14 mee kon rijden uit Braunau, hij om 10.20 bij zijn tante in Simbach kon zijn. En in de middag hetzelfde in omgekeerde richting. Alleen Hóe?!

Bij de gésel van ons dorp, een spoorwegovergang die door rangeerbewegingen meer dicht was dan open, kon ik ongezien tussen de locomotief en de wagons klimmen, op het moment van stilstand tussen vooruit en achteruit. Nu was ik al heel behendig geworden in het rijdend opstappen op een locomotief, want zo deden de rangeerders het ook. Op de kolentender en tussen de wagon, zat een klein trapje voor de stoker om op de tender te kunnen klimmen. Op één van de buffers staande en vasthoudend aan de stalen sporten reed ik dan mee als verstekeling naar het voor mij illegale Deutschland! 

Aangekomen in Simbach en ongezien van de loc ontsnapt.., vlug naar mijn tantetje voor de snoepjes! So du Flegel..! Bist'wieder mi'm Zug hereingeschlichen.?! (zo bengel ben je weer met de trein binnengeslopen?) Aber nein Tante, stond ik met grote onschuldige ogen braaf te jokken. Wat ik niet wist is, dat de smeer van de buffers op mijn schoenen en mijn zwarte handjes van het kolenstof, mij standaard door de mand lieten vallen. De middagtrein terug was ingewikkelder... Die rangeerde niet heen en weer, maar stond al klaar om door de Oostenrijkse loc op de terugweg meegenomen te worden. Dat kon wel eens uitlopen. Eerst moest de wagenmeester zijn goedkeuring hebben gegeven aan de samenstelling van de trein (Deutsche Gründlichkeit) Daarna tikte hij met een hamer, op een steel van een meter lang, op ieder wiel van iedere wagon om te horen of er geen scheuren in zaten. Die moest mij dus niet zien... Ook de baas van het Stellwerk (seinhuis) was een potentiële vijand. Die zag '@#$%' altijd alles...! Logisch want hij had een soort van laatste visuele controle over wat er zijn Heimat verliet.

Maar de spoorweggoden waren mij wederom goed gezind en met een TSIEEEEUUUWWWW!!!! van de stoomfluit, ging de trein zoals gewoonlijk naar de stalen brug over de rivier… van mijn noodlot!

Dzjoev-dzjoef-dzjoef- doe-doe-doe-doe-zjoef-zjoef-zjoef, ging de loc richting mijn ouderlijk huis. Ik stond op de linker buffer en met mijn knuistjes stevig geklemd aan een soortgelijk trappetje als van de loc-op-de-heenreis. Plots werd er een noodremming gedaan. Waarom weet ik niet, maar door de schok gleden mijn voeten links en rechts van de spiegelgladde vettige buffer en kwam ik op ruwe wijze wijdbeens op mijn nog in aanbouw zijnde scrotum terecht. Gelukkig zat er nog niks om helse pijnen te voelen, maar toch deed het zeer. Schoenen onder de zwarte smeer, benen onder de vette zwarte smeer, broek onder de onuitwisbare uiterst vette zwarte smeer. Rampen dus..! Ik zag mijn ouders al hel en verdoemenis preken met ontzegging van mijn 20 Shilling zakgeld tot na mijn 1000-e verjaardag... Maar gelukkig kon het nog erger... Mijn moeder monsterde mij, keek mijn vader aan en zei dat zo'n vuilnisbak nooit hun zoon kon zijn. Ik werd abmarschiert naar de Gendarmerie, de grenspolitie, om het land te worden uitgezet. Nou, ik was bij mijn tante al naar de wc geweest, maar als ik toen in mijn broekie had kunnen poepen had ik het zeker gedaan. Ik mocht van de Obergendarmerist bij hóge uitzondering Oostenrijks staatsburger blijven en moest eeuwige eer en trouw zweren aan het vaandel. Dat was een opgelegde plechtige en hoogst indrukwekkende gebeurtenis, die ik bij het verlaten van de Gendarmerie aan de grenspost allang weer was vergeten.

Thuis werd ik met koud water en een iets wat op een staalborstel leek, met machinistenzeep schoongeschrobt. Zo ging dat, vanwege mijn doorzettingsvermogen, nog een paar jaar door, totdat ik een officiële Sonderpass kreeg om gewoon als 12 jarige de grens te passeren.

Maar we hadden het over die spoorweg hijskraan... Nou... zei Pa.., die wordt gebruikt als een locomotief, een wagon of een hele trein ontspoord is. Dan worden aan de zijkant van de kraan hele grote steunpoten uitgeklapt en die stapels bielzen worden daar onder gelegd voor de verdeling van het gewicht. Dan gaat de mast omhoog en word alles weer op de rails gehesen. Ik wist vanuit de loc-werkplaats, dat een 5-assige goederenstoomloc zonder de tender makkelijk 160 ton weegt, en met ontzag bekeek ik die, in ruste verkerende, hijskraan. Zou ik hem ooit eens zien kunnen werken??? Bij ons rangeerterrein ontspoorde NOOIT iets.., daar ging altijd alles op een slakkengangetje heen en weer.

Zelfs de Bahnhofs-Vorsteher (stationschef) liep langzaam. Het enige vertier was de Lokwerkstatt. Daar kende ik iedereen en was, met mijn 10 lentes, al volleerd machinist en stoker op een rangeertender loc 1'D1'H2 (dat zou mij later in Nederland nog goed van pas komen...)

In mijn vakanties, als we niet naar mijn oma in NL gingen, was ik altijd in de buurt van de slakkengroeve. Dat was een betonnen put tussen de rails, gevuld met water, om overtollig vuur uit de locs in uit te storten. Dat gaf dan altijd een enorme stoomwolk, die lekker rook naar smeerolie en briketten. Verder hielp ik mee met het water tanken en bediende soms het kolenhijskraantje voor de bevoorrading met kolen voor de locs. Tijdens die operaties kreeg ik meestal een oliekan in mijn handjes gedrukt om alle smeerpotten te vullen van de drijfstangen en de aslagers. Dat was niet helemaal ongevaarlijk, want ik moest dat ook tussen de rails, onder de hete ketel, bij de vuurbak doen. Maar omdat ik nog klein was kon ik overal beter bij dan de meeste stokers. Één keer waren ze mij 'vergeten' en reed de loc langzaam weg naar het station, een kilometer verder op. Door het sissen van de stoom en het geluid van het aanspannen van het drijfwerk, wist ik wat er ging gebeuren en liet mij als een blok vallen op de vette bielzen. Langzaam en met een zachtjes wfoeb-pssssst-wfoeb-wfoeb-pssssst-wfoeb-pssssstt reed de loc over mij heen, richting treindienstleiding. De machinist zag het, met een lijkwit gezicht, gebeuren en sindsdien was het uit met de pret. Ik mocht voortaan alleen nog maar helpen met aanmaken en opstoken van de ketel, en/of het poetsen van de koperen leidingen en ronde handgrepen van de afsluiters op de machinistenstand. Dat had ook wel weer een voordeel, want als er gerangeerd moest worden kon ik tegen alle voorschriften toch lekker mee rijden en af en toe mocht ik dan ook zelf de locomotief besturen als er geen trein aangekoppeld was. Alleen... dat seinhuis.., 10 meter hoog boven de rails, net zoals aan de Duitse kant.., ook met zo'n '#$%^@!#$%' lastpost van een seinhuiswachter. Die zag ook altijd alles wat hij juist niet moest zien.

Maar goed wij hadden het over die spoorweghijskraan...

Ik was met een paar vriendjes naar de bioscoop geweest in Braunau. Beter gezegd een tot filmtempel omgebouwd zaaltje achter het Kolpinghaus. Er draaide een 'kaaibooifilm' met indianen en veel boeven. De indianen moesten, te paard gezeten, een trein beroven maar dat lukte niet. Toen vond het opperhoofd, UCH!, de oplossing, door het traject door de bergen af te snijden naar de eerstvolgende spoorsplitsing... De bende Apachen was aangekomen bij het spoorwissel...zetten de handle van het wissel 'op scherp' en ging in de struiken liggen wachten tot de trein aankwam. EN DIE KWAM!!! Toen de trein halverwege het wissel was gepasseerd, gooiden ze de wissel om en de resterende wagons ontspoorden en liepen ver uit de rails. Franzi zag zoiets al voor zich in Braunau op het rangeer terrein...nee, nee, néééé!!!

Rangeren ging als volgt... Er werden stellen wagons samengesteld door een rangeerder en een wagenmeester…dan werden de wissels gesteld... Met een rode vlag en koperen signaaltoeter kreeg de machinist een sein dat hij het stel wagons dan een zetje kon geven. Al naar geland de wisselstand werden zo één of meerdere wagons of rijtuigen, gesorteerd voor een volgende bestemming. Op de plaats waar de wagons moesten stoppen op het spoor, stond dan een remmer. Die had een ijzeren slee in zijn hand die op de rails werd gelegd en die de langzaam rollende wagon(s) precies op de goede plek deed stoppen. Alles ging op dat station l a n g z a a mmm!

Een duivels plan maakte zich van de kleine Krampf meester... Als er nu eens... Als er een treintje losse wagons door een zetje van de loc...

NEIN.., niet doen..!.Op een zaterdagmiddag.., er waren geen rangeerders in de buurt en er was maar één rangeerloc... Wij speelden aan het eind van het emplacement, een kilometer van het station en ver van de spiedende ogen van het seinhuis... Er lagen aan het eind van ieder spoor overal van die remschoenen om wagons te stoppen. We haalden er eentje weg... we zetten de wissel op scherp...er kwamen een zestal wagons aanrollen...na de tweede wagon gooiden we de wissel om...de vier volgende liepen uit de rails en kwamen knarsend tot stilstand in het grind. Het waren 4- assige erts wagons, gevuld met bauxiet* voor de aluminium smelterij in het naburige Ranshofen...

Bielzen waren versplinterd onder het enorme gewicht van de 4 kolossale 80 tonners, het wissel was verwoest en de rails staken rechtop omhoog, en wij..??? Dat was héééél anders dan in de film, dit was écht! Dit was een rámp, WEGWEZEN!!! Een uur later wemelde het er van officials, zoals ze vandaag de dag heten. In de verte hoorden we vaag de woorden sabotage.. aanslag van extremisten, nood toestand...! Als wij onszelf met een 'Simsalabim' hadden kunnen wegtoveren, dan hadden we dat voor een paar lichtjaren, zeker weten, gedaan.

*( Het bauxiet, aluminiumerts, kwam ironisch genoeg uit de haven van Rotterdam en werd gedolven in Suriname)

Maar het was geen film, het was Braunau am Inn, griezelig werkelijk echt. Rennûhh dus naar de Laabstrasse 4, naar mijn kamertje dat uitzicht had op de plek des onheils. Het gebeurde ging als de bliksem door het dorp en binnen een half uur stond het zwart van de nieuwsgierige Braunauers en fotografen van de krant. Pa kwam 's middags thuis van een bezoek aan zijn zussie in het, onbereikbare, naburige Germania. Hij zei dat het óók toevallig was dat wij die kraan hadden gezien in Salzburg en dat er nu bij toeval een hele ertstrein was ontspoord..! Ik deed net of ik gek was en zat met mijn vriendje Gregor van alles te doen om maar niets te weten over die ontsporing. Maar mijn onwetende Pa sleepte ons mee naar buiten om te gaan kijken... Nou, voor mij was de hel daarbij vergeleken nog een diepvrieskist. 'Kijk, zoon... nu kun je binnenkort die spoorweghijskraan misschien in bedrijf zien'. Welluke kraan... ik was onschuldig... ik wilde het niet weten... ik wilde het niet zien... De blubber liep uit mijn korte broekje. Pa zag dat en dacht dat ik weer stiekem bier had gedronken bij de Schnaitl-brouwerij langs de Inn. Was dat 'GVD!@#$%^&*' maar WAAARRR!!! 

Marsch..!, terug naar huis, wassen in de teil met koud water en schone kleren aan. Voor straf, vanwege de vermeende bierconsumptie, huisarrest! Nou ik was met die straf nog nooit zo blij geweest.

Maandag daarop, in aller vroegte, ongewoon geluid. Voorzichtig kijk ik door het raam... een zware goederen loc- een 1'E 1'H 3... de zwaarste 5- assige goederen locomotief die de ÖBB in bedrijf had... en... jawel... mét de kraan samenstelling. Het duurde twee dagen voordat alles was opgesteld. Eén voor een takelde het monster de geladen wagons weer op een naast gelegen spoor. Twee dagen later was het hele circus weer vertrokken en werd met man en macht gewerkt aan de reparatie van het wissel, de rails, de spoorbielzen en het grindbed.

Het 'geintje' had precies een week geduurd en ik heb pas de moed gehad om in 2000, 40 jaar na dato, toen ik 50 werd, het verhaal te vertellen aan de toenmalige en inmiddels hoogbejaarde, dienstdoende stationschef, Franz Reichenauer. 'Ik had altijd al zo'n vermoeden...mompelde zijn tandeloze mond met een grijns...!' 

Door de remigratiedrang van mijn moeder, vertrokken we eind 1962 naar het kille Nederland. Wég vriendjes, wég treinen, wég tante Márie...! Mijn leven begon overnieuw in omgekeerde volgorde. Permanent in Rotterdam en in de jaren daarna op vakantie naar Oostenrijk…

Het vroor in Nederland in de winter '62/'63 dat het kraakte en er kwam alleen maar ZOUT water uit de kraan bij mijn oma. Dat kwam omdat er weinig water uit de rijn werd aangevoerd en het zeewater tot voorbij de Rotterdamse waterzuivering kwelde. Gewapend met twee zinken emmers van 15 liter en met een deksel erop, werd Franzl naar de Heinekenbrouwerij gestuurd aan de Boezemsingel. Daar kon bij de eigen bron gratis water worden gehaald. Zo liep ik met zeker met 34 kilo gewicht door de Crooswijkseweg terug naar ons huis in de Rusthoflaan. Eer dat die emmers water op hun bestemming waren, was er in totaal al zeker 10 liter uitgeklotst onderweg.

Wij woonden tot 1964 bij mijn oma 'in', totdat wij verhuisden naar een splinternieuwe flat in de Alexanderpolder. Maar eerst kwam de zomer van 1963 er nog aan...In het Kralingse bos werd een nieuwe autoweg aangelegd. Daar werden honderden vrachtwagens met puin gestort en geëgaliseerd door een bulldozer. Alles werd platgereden en verdicht door...jawel, een heuse stoomwals. Héérlijk…, de lucht van stoom en olie, de geur van briketten…het geluid van dzjoef-dzjoef-psssstt! De machinist was een vriendelijke man en vroeg of ik iets van stoomwalsen wist. Nou, nee,….maar wél heel veel over stoomlocomotieven! Zo zo, grinnikte de man, nou laat dan maar eens zien hoeveel jij van stoommachines af weet! Ik werd op de wals gezet, bekeek alle bedieningshandels, waterstand en de keteldruk...

Meneer…, de druk is erg laag.., er moeten kolen op het vuur.., maar u heeft ook een erg lage waterstand...! (De man stond te wachten op de bevoorradingswagen met kolen en water) Krijg nou wat...!, hoorde ik hem zeggen. Straks ga je me vertellen dat je er ook nog mee kan rijden zeker..? Oh..., ja hoor meneer..., mag het..? Nou..., ga je gang..., klonk het. Nou die één-cilinder-stoomwals was een eitje.., heel wat eenvoudiger dan de 4 en 6 cilinder locomotieven die ik gewend was! Ik mag doodvallen en creperen..., hoorde ik de walsmachinist zeggen. Mag ik morgen ochtend komen smeren en opstoken meneer..? He..??? Weet je wel hoe vroeg je dan moet opstaan...? Ja meneer, ik kan er om 4 uur al zijn als ik van mijn moeder mag… Nou goed dan.

Zo vergingen ongeveer drie weken van de zomervakantie. Mijn vriendjes kwamen regelmatig jaloers kijken hoe ik in mijn uppie op de stoomwals reed. De machinist deed de hele dag een tukje en rookte dikke sigaren. Zo heb ik minstens de ondergrond voor de helft van de weg door het bos voorbereid. Totdat er op een dag een auto bij de watervoorraadtank stopte. Het was de baas van de machinist, die net een dutje lag te doen in het gras. Ik hoorde draconische bedreigingen over en weer gaan. Uit was het weer met de pret. Ik mocht voortaan alleen nog maar met de oliekan... ! Dat walsen was net als rangeren… Heen en weer… Heen en weer…! Het enige verschil was eigenlijk dat die wals niet aan rails was gebonden…

Franz Krampf, 5 december 2009.

Een onderhoudstreintje op het enkelspoor tussen Braunau en Ried im Innkreis (Haltestelle Neuratting).

Ná het smullen van onze belevenissen, schoot Franz nog een verhaal te binnen. In Oostenrijk reed hij vaak mee als gedoogd verstekeling op diverse machinstenstands. Nachtgoederenvervoer, Triebwagen, Verschubdienst, en één keer met de stoomsneeuwploeg naar Bisschofhofen, richting Villach/Ljubljana. Ook met 'EEN TREIN VAN 1000 TON...' deed Franz Krampf ooit de nodige ervaring op. Speciaal voor Feijenoordse meesters' vertrouwde hij dat verhaal aan het papier toe:

Op het rangeerstation Salzburg Nord werd drie keer per week een ertstrein samengesteld met bauxiet voor de aluminium fabriek in Ranshofen. Maandag-, woensdag- en vrijdagnacht gingen er zo 12 vier-assers van Salzburg dwars door het centrum van Oberndorf naar de fabriek. De loc was een kolenstof gestookt monster, het type ben ik vergeten, geleend van het BW in München. De lijn door Oberndorf liep zo dicht langs de huizen, dat je de muren bijna kon aanraken. Heel lang werden deze transporten met een remmerswagon aan het eind uitgevoerd, maar later maakte een doorgaande luchtleiding met Knorr-remmen de remmer overbodig.

De reis was altijd listig en lastig. Zo zat er bijvoorbeeld nèt voor Oberndorf een helling in het traject van 1,5 promille. Om deze met een stoomloc te overwinnen moest er maximale druk, tot aan continu ventielgefluister, gestookt worden om de vaart er in te houden en de helling te kunnen nemen. Dat was met de hand niet aan te scheppen. Het kolenstof echter, gaf altijd maximaal rendement.

Niet zelden slipten de wielen door, vooral bij nat weer of bij sneeuw, en een keer kwamen we niet aan de top. Nét voor de helling was een bocht die, vanwege het gewicht, niet sneller genomen mocht worden dan 35 km/h. Er zat geen verkanting in en daardoor kon door de zijdelingse kracht het tracé wel eens verplaatsen. Eenmaal boven, om twee uur in de nacht (overdag was het een druk bereden spoor met lokaaltreinen), moest de stoom eraf om zo stil mogelijk door het slapende dorp te rijden. Tegen het kletteren van de haken en schalmen gebeurde dat met licht aangeslagen remmen. In de tijd dat we zo rustig door het dorp rolden, kwam de ketel intussen weer op druk en tuften we soepeltjes door de Oostenrijkse nacht naar onze plaats van bestemming.

Daar aangekomen werd de loc losgekoppeld van de trein, die verder reed met een fabrieksdiesel naar ‘ergens’. Onze rit zat er daarmee op, zodat we voor de volgende klus via een wisselspoor omreden naar de klaarstaande lege wagons van de keer daarvoor. Een paar flessen bier en warme worst in de plaatselijke kantine en met de tender vooruit op de terugweg. Twee uur heen en anderhalf uur terug. Dan kwam er een nieuwe loc van de DB uit München, want in Salzburg was geen bunkerfaciliteit voor kolenstof.

Voor zover ik weet is de goederenstroomdienst nog tot 1973 in nachtelijk bedrijf gebleven. Daarna kwamen de 12-cilinder tweetaktdiesels van de ÖBB om het over te nemen. Ik heb er twee keer in mogen rijden, maar het stuurwiel kon mij niet bekoren.

Onze buurman in Braunau am Inn, Franz Riedl, was Ober Lokführer en ik ben hem dankbaar dat ik die nachtelijke reizen stiekem mocht meemaken. Mijn leven telde toen 21 lentes en ik woonde al acht jaar in Nederland.

In 1999 belde hij mij op, of ik zin had in een ritje naar het Dachstein-massief. Er was een stoomtrein gehuurd door een stel Japanse zakenlieden, die zelf machinistje wilden spelen. Door de ÖBB goedgekeurd gingen we met 5 rijtuigen (van Mitropa?) op weg naar de bergen. Het werd een drama... De Jappies hadden geen kracht genoeg om de Poolse moppen met de schep goed te verdelen op het rooster. Door de klim daalde de druk en met het laatste beetje adem werd maar net de top bereikt. De 200 ton 'aanhang' was in geen vergelijk met wat wij vroeger vervoerden.

Foto links: Franz Krampf op 9-jarige leeftijd op het -rangeer- Bahnhof in Braunau am Inn. Franz zelf staat trots op de treeplank. Naast hem, in witte jas gehuld, zien we stationschef Franz Reichenauer en links daarvan de stoker. De man op de bok was Franz Riedl. Van hem zou de kleine Franz destijds veel leren. Later werden Franz en Franz de allergrootste vrienden... De foto rechts toont zomaar een 'Dampfloc triebwerk' uit de '5-serie' goederen trekkers; waarschijnlijk een Henschel.

Het was een fijne tijd.., er gebeurde nooit iets en toch was er altijd iets te beleven.

Franz Krampf,  Augustus 2010.